|
De familie van de
aalscholvers telt slechts één geslacht en een dertigtal
soorten. één daarvan, de brilaalscholver van de Kommandorski
eilanden in de Beringzee, is uitgeroeid. De gewone
aalscholver of schollevaar is de enige soort die in ons land
voorkomt. Vroeger als broedvogel, vandaag uitsluitend als
een zeldzame gast uit Nederland.
De aalscholver leeft in kolonies, zowel aan de kust als in
het binnenland. Dagelijks legt deze uitstekende vlieger
grote afstanden af, op zoek naar voedsel. In water van 1 tot
3 meter diep duikt hij naar vis, schaaldieren en amfibieën.
Hij achtervolgt z'n prooi en kan wel 45 seconden onder water
blijven. In Afrika en
Azië worden afgerichte aalscholvers gebruikt om voor de mens
vis te vangen. Een ring rond de hals voorkomt dat ze de
prooi zelf inslikken. In Japan is de aalscholverjacht een
toeristische attractie.
Het legsel van de aalscholver
bestaat uit 3 of 4 blauwe, met een krijtlaag bedekte eieren
van 50 gram. Ze worden 23 tot 25 dagen bebroed. De jongen
zijn naakt en zwart, met een roze kop. Beide ouders staan in
voor het onderhoud van het nest, het broeden en het voeren
van de jongen.
De jongen vliegen reeds na minder dan twee maanden uit. Het
volwassen verenkleed krijgen ze pas als ze twee jaar of nog
ouder zijn. Pas dan gaan ze voor het eerst op zoek naar een
partner. Het mannetje
van de aalscholver is iets groter en zwaarder dan het
vrouwtje (2,3 t.o.v. 1,9 kg). Verder zijn er weinig
uiterlijke verschillen. Aan land komt de aalscholver vrij
onbeholpen over, maar zowel in de lucht als in het water is
hij duidelijk in z'n element. Uitwendige neusgaten ontbreken
en de snavel is licht getand.
In veel landen beschouwen
vissers de aalscholver als een concurrent en worden de
vogels genadeloos vervolgd. Toch wijst alles erop dat de
aalscholver de visserij eerder dient dan schaadt. De prooien
van deze jager zijn immers vooral kleinere, minder gezonde
vissen. In Europa is de soort beschermd.
|